Het was begonnen met schemeren. De ondergaande zon kleurde de hemel boven Wensley langzaam rood, totdat het naastgelegen kasteel Redmont, dat grotendeels uit rood steen opgetrokken was, amper nog meer dan een schim was. Het deed Will denken aan zijn eigen mantel, dat hem deed verdwijnen tegen de groen-grijze achtergronden in de natuur. Hij glimlachte. Wie had ooit gedacht dat een wees zichzelf zou kunnen vergelijken met een kasteel?

Will sloeg linksaf en liep de kleinere, donkere steegjes van het dorp in. Trek had hij achtergelaten in de stallen van het kasteel. Hoewel hij vanaf het zadel een zeker overzicht genoot, was het deze avond te druk om met zijn trouwe paardje door de straten te rijden. Daarbij hinderde het in dit soort straten het ongezien en ongehoord voortbewegen.

Ruim een uur dwaalde de jonge Jager rond door de gure stegen. Glijdend van schaduw naar schaduw bewoog hij zich voort, op zoek naar herrieschoppers en opportunisten die festiviteiten van die avond probeerden te verstoren. Tevergeefs. Anders dan voorgaande jaren waren de straten uitgestorven, op een enkele dronkaard die lallend in de goot lag na.

Will voelde meer dan dat zijn zintuigen het oppikten dat er iemand naast hem kwam lopen terwijl hij het centrale plein van Wensleydale betrad. Zonder opzij te kijken wist hij wie het was.
“Kalme dienst dit jaar,” merkte Will op. De bebaarde man naast hem haalde zijn schouders op.
“Arald krijgt de paasvieringen steeds beter onder controle,” reageerde Halt, “Zeker nu het eieren zoeken meerdere rondes voor meerdere leeftijden kent en het voor de grap ontvoeren van vrienden niet meer toegestaan is.”
Intussen waren de twee Grijze Jagers aangekomen bij de rand van het centrale plein, waar ze halt hielden om de situatie in te schatten.

Een beweging links trok hun aandacht, maar geen van de Jagers maakte de fout hun hoofd te draaien. Vanuit hun ooghoek hielden ze de beweging goed in de gaten. De man had duidelijk haast en merkte de twee in de schaduwen gehulde figuren niet op. Helaas voor hem.

Nonchalant stak Will zijn been uit. De man struikelde, maar voor zijn gezicht op de kinderkopjes sloeg greep een sterke hand hem in de kraag en trok hem weer overeind.
“Ik geloof dat die gloednieuwe kleren in je handen, die de Baron van dit leen zo gul aan de armere inwoners cadeau gegeven heeft, niet aan jou toebehoren,” zei Halt lijzig.
Will toverde een verbaasde blik op zijn gelaat. “Maar Halt, maakt dat deze man geen dief?”

De man in kwestie, die van de schrik al weinig kleur in zijn gezicht had, trok zo mogelijk nog witter weg. Betrapt worden op een misdrijf was één ding. Betrapt worden door een Grijze Jager…
“Natuurlijk hoeven we hem niet aan te geven,” peinsde Will. “We kunnen hem ook gewoon de kleren terug laten geven en naar huis sturen.”
De man haalde opgelucht adem en Halt verstevigde zijn grip. Zo bleven ze een paar minuten staan, totdat ze zeker wisten dat de schrik er goed in zat. Toch gaf Halt de man een flinke duw na, in de richting waar hij vandaan kwam.
“Ik houd hem nog wel even in de gaten,” zei Halt.
Will knikte. “Ik check de kramen.”
Hun wegen scheidden en de twee Grijze Jagers vervolgde elk hun eigen paasweg.

Ook de rest van de nacht bleef het rustig. Eieren werden verstopt en gevonden, lichten aangestoken en weer gedoofd.

Tegen de tijd dat Will opnieuw omhoog keek, zag hij opnieuw hoe de lucht verkleurde en het kasteel grotendeels aan het oog onttrok. Ditmaal om het begin van een nieuwe dag aan te luiden. Het begin van de lente.

De jonge Jager gaapte, maar was voldaan.

Fijne pasen, dacht hij, met een glimlach op zijn gezicht.

Pasen bij de Grijze Jagers – Rosalie