Deze fanfic is geschreven door Anja voor jullie genot.

De bomen ruisten zachtjes in de late avond wind. Het was nog niet helemaal donker; de schemer was net ingevallen en lucht kleurde langzaam van blauw naar roze en oranje. 

Op dit tijdstip was er bijna niemand meer buiten te vinden. Het weer was te koud en de mensen hadden wel andere dingen te doen. 

De enige persoon die nog buiten was, was een jongen op zijn pony. De twee reden in een rustig tempo terug naar het hutje. 

“Ik hoop maar dat Halt niet kwaad is,” zei de jongen. “We zouden voor de schemering terug zijn, maar dat gesprek met baron Arald duurde langer dan gedacht.” 

Zijn pony keek hem met een van zijn bruine ogen aan.

“Halt is altijd kwaad, er kan nooit een lachje vanaf! Maar ik weet zeker dat als je het uitlegt, hij het wel zal begrijpen.”

Aangemoedigd door zijn vriend reed Will opgewekter terug, maar alle moed zonk hem in de schoenen toen hij Halt op de veranda zag staan, zijn armen gekruist op de borst. Naast hem stonden enkele lantaarns te branden. Ze hadden die de vorige dag gemaakt.

“Moeten we nog eens doornemen wat de tijden van de dag zijn?” bromde hij. 

De Jager keek toe hoe Will haastig Trek naar de stal bracht en het bit eruit haalde. Hij waste het vluchtig met water wat in een ton stond. Daarna maakte hij het zadel los en hing het op de stang. Trek schudde en het stof viel van hem af.

“Zeg, dat mag wel eens goed gedaan worden,” leek hij te zeggen.

Will pakte een borstel en wreef net zolang totdat de vacht helemaal droog en vrij van stof was. Opkijkend naar zijn mentor, slikte hij nerveus. Hij wist heel goed dat Halt het niet had op laatkomers, en al helemaal niet van zijn eigen leerling.

“Ik had gezegd dat ik op tijd thuis moest zijn,” begon Will zijn uitleg. Zelfs na een paar maanden bij de Jager te hebben gewoond, maakte de man hem toch nog zenuwachtig. Vooral als hij zijn wenkbrauwen in een V vorm had.

De Jager keek hem strak aan, op zoek naar een spoortje dat verried dat Will niet helemaal de waarheid sprak. Maar dat was niet zo. De jongen wist heel goed dat liegen niet geoorloofd was en dat Halt hem streng zou toespreken mocht hij hem erop betrappen.

“Vooruit, naar binnen jij. Leg tijdens het eten maar uit wat de reden is,” zei hij en de jongen liep enigszins opgelucht naar binnen.

Tijdens het avondeten – wat bestond uit een warme pompoensoep – vertelde Will over het gesprek met de baron. Hij had de gewoonte om de weeskinderen eens in de zoveel tijd bij zich te roepen om met hem, of Vrouwe Sandra, te praten. Normaal gesproken zouden de leerlingen brieven sturen naar hun families om hen op de hoogte te houden van alles. Maar aangezien de wezen dat niet konden, hadden de baron en barones die taak op zich genomen.

Will vertelde veel aan Halt, maar niet alles. De man hoefde niet te weten dat Will soms bang van hem werd – dat kon hij zelf ook wel zien. 

“Het ziet ernaar uit dat je dus zelf te veel hebt gepraat,” sprak Halt zodra zijn leerling uitgesproken was. 

Will, die tegenover hem zat, beet zachtjes op zijn onderlip. Het was waar, hij had veel gepraat, maar dat was niet het enige. 

De Jager merkte het gebaar op en ontspande zich een beetje. Misschien pakte hij de jongen iets te hard aan. Hij zei zelf niets, maar wachtte totdat Will verder ging. 

Seconden werden minuten en de stilte werd steeds ongemakkelijker. Uiteindelijk besloot Halt het zelf te vragen, anders zaten nog wel langer aan tafel.

“Will, is er iets voorgevallen op het kasteel, of toen je naar huis reed?” Hij kon zien dat er blosjes op zijn wangen verschenen en hoorde heel zachtjes een antwoord.

De Jager gebaarde dat hij luider moest praten en toen kwam hakkelend het antwoord.

“H-het is de l-laatste dag van o-oktober,” stamelde de jongen. Zijn gezicht gloeide en hij wist zeker dat de Jager hem zou uitlachen voor zijn kinderachtig gedrag. Hij durfde hem niet eens aan te kijken, zo beschaamd was hij. 

Halt keek hem een tijdje aan alvorens langzaam te knikken. Zelf was hij vergeten dat het weer die tijd van het jaar was. Hij streek over zijn baard en knikte langzaam.

“Die verhalen van de hofnar hebben hun sporen nagelaten zo te zien.” Halt was vaak genoeg op het kasteel geweest tijdens deze dag en in de avond vertelde de hofnar enge verhalen aan de bewoners. De kleinste kinderen werden naar bed gestuurd, maar de oudere kinderen mochten blijven luisteren. 

Will knikte. Hij had altijd gedaan alsof hij niet bang was, maar stiekem vond hij het best eng. De enige reden waarom hij altijd ging, was om te voorkomen dat Arnaut hem een bangerik zou noemen en hem ermee zou pesten. 

“Ze zeggen dat de geesten van overleden mensen terugkomen voor een levend lichaam. Toen Trek en ik naar huis reden, zagen we lantaarns langs de huizen staan en het riep wat herinneringen op.” Will rilde toen hij eraan terugdacht. Nee, deze dag was niets voor hem.

Halt keek zijn leerling een tijdje zwijgend aan. Het was dapper van hem om zijn angsten te delen, maar later kon het wel eens een probleem zijn. In zijn hoofd vormde een ideetje en hij stond op van zijn stoel. 

Will, die in de tussentijd nog snel een beetje soep had opgedept met wat brood, at snel de laatste restjes op.

“Ruim de tafel op en maak wat verse koffie. Dan zal ik je daarna eens een verhaal vertellen.”

De Jager gaf zijn bord en bestek aan de jongen en liep toen naar zijn kamer. Will bleef alleen achter en deed zwijgend de afwas. Ergens vond hij verhalen van Halt leuk aangezien de man goed kon vertellen, maar een stemmetje zij hem dat het wel eens een eng verhaal kon worden.

Na de afwas zaten ze samen voor de openhaard, ieders met een mok koffie. Will had zich omgekleed in zijn nachtkleding en zat in kleermakerszit op de bank. Halt zat in zijn stoel naast de openhaard, en wiegde zijn been langzaam op en neer.

Hij dacht na over hoe het verhaal moest vertellen, zonder daarbij Will nog meer de stuipen op het lijf aan te jagen. 

“Waar ik vandaan kom,” sprak de Jager en meteen was Will een en al oor. Zijn leraar had het nooit verteld, maar aan zijn accent te horen kwam de man niet uit de omgeving. Iedere keer dat hij dus iets vertelde over zijn verleden hing de leerling aan zijn lippen.

Halt zag dat hij de aandacht had en vervolgde zijn verhaal.

“daar kennen we ook dit soort verhalen. Er zijn zelfs mensen geweest die beweren lichtjes te hebben gezien. Zij die deze lichten tegenkwamen – wij noemen ze dwaallichtjes – zeiden dat ze verdwaald waren en de weg vonden door het licht te volgen. Vooral op deze dag kwamen ze tevoorschijn. Net als hier denken we dat het overleden mensen zijn, maar niet dat ze je lichaam willen nemen. Eerder dat het zielen zijn met een onvolbrachte taak. En zodra ze het hebben uitgevoerd, stijgen ze op naar de hemel.”

De jongen kantelde zijn hoofd lichtjes. Op kasteel Redmont hoorde hij juist altijd dat de lichtjes niet te vertrouwen waren en dat je beter zo snel mogelijk naar huis kon gaan als je er een tegenkwam. Het verschilde dus afhankelijk waar je vandaan komt, dacht hij.

“Zelf ben ik er ooit een tegengekomen,” zei Halt en Will keek hem vol verbazing aan. Hij had niet gedacht dat de man erin geloofde. Immers, hij zei altijd dat tovenarij niet bestond. Blijkbaar maakte hij hier wel een onderscheid in.

Toen het stil bleef, wiebelde Will op zijn plek. Hij wilde toch wel weten wat er toen was gebeurd.

“Wanneer was dat? Wat gebeurde er toen?” vroeg hij. Met veel moeite wist hij het bij deze twee vragen te houden.

Halt tuitte zijn lippen terwijl hij over een antwoord nadacht. 

“Ik denk dat dat was toen ik een missie uitvoerde voor koning Oswald, de vader van koning Duncan. In die tijd was Redmont een van de weinige lenen met een eigen Jager. Ik werd naar het noordoosten gestuurd omdat er een bende struikrovers actief was. Ze lieten reizigers geloven dat er geesten waren en dat zij hen, tegen betaling, konden beschermen. Het was een nogal belangrijke handelsroute en de boeren die langskwamen, betaalden graag voor bescherming. Enige nadeel hiervan was dat de struikrovers hen neersloegen en er vervolgens met meer dan alleen het afgesproken bedrag van doorgingen.” Hij grimlachte kort toen hij eraan terug dacht. 

De volgende vraag lag al op Wills lippen, maar zijn mentor was sneller. 

“Een avond had ik ze allemaal gevangen en was op weg naar huis toen ik overvallen werd door een zeer dichte mist. Abelard kon ook niks meer zien en we moesten goed opletten dat er niets gebeurde. In de verte zagen we een licht en dachten dat het een boer was, maar het bleek een dwaallichtje. We besloten het te volgen en kwamen uit de mist, op de hoofdweg,” besloot hij zijn verhaal.

Will keek hem met grote ogen aan. Dit was niet zo’n heel eng verhaal geweest. Eerder erg interessant en best wel aardig. Toch was er nog een ding waarmee hij zat.

“Hoe liep het af met het dwaallichtje? Had het zijn taak volbracht?”

De oudere man haalde zijn schouders op. 

“Dat weet ik niet. Sommige dwaallichtjes hebben een taak, andere meerdere,” antwoordde hij en keek toen naar buiten. Het was nu helemaal donker geworden en de maan stond al hoog aan de hemel. Nog even en het zou te laat worden voor Will. 

Hij gebaarde naar de kamer van zijn leerling.

“Volgens mij is het de hoogste tijd om naar bed te gaan. Morgen is het weer vroeg dag.”

Will stond met tegenzin op, maar verborg wel een geeuw achter zijn hand. 

Lopend naar zijn kamer wenste hij Halt een goede nacht en hoorde hoe de Jager hem hetzelfde wenste.

In zijn kamer liep Will naar het raam om het gordijn ervoor te trekken. Veel zag hij niet, maar wel dat het behoorlijk mistig was geworden. Hij wreef in zijn ogen en trok een deel van het stof al voor het raam. 

Toen hij het andere deel pakte, zag hij vanuit zijn ooghoek iets bewegen. Denkend aan het verhaal van zojuist dacht hij aan een dwaallichtje, maar schudde zijn hoofd. Nee, het was vast de slaap die hem dat liet denken. 

Zijn nieuwsgierigheid was echter groter en hij durfde het aan om zijn raam te openen. De koude bries klapte in zijn gezicht en speelde met zijn haren.

“Precies zoals ik al dacht, het was gewoon de sla-“ en toen viel hij stil. 

Daar, bij de bosrand, zag hij een aantal blauwe lichtjes verschijnen. Het waren er misschien een handje vol, en ze bewogen in de dichte mist. Je kon het bijna dansen noemen.

Ademloos bleef hij ernaar kijken, bevangen door hun schoonheid. Het was niet zozeer eng, eerder iets moois, dacht hij.

Op een gegeven moment stegen de dwaallichtjes op naar de hemel en de jongen besefte dat ze hun rust hadden verdiend.

Hij sloot het raam toen er niks meer te zien was en stapte voldaan in bed. Hij was nog steeds geen voorstander van deze avond, maar het was minder eng dan in de voorgaande jaren.

Halloween Fanfic – Dwaallichtjes